Een hechte band met je familie, je gezinsleden en daarmee je ouders, broer(s) en zus(sen) is gezond voor je psychologie. Het gevoel dat je weet dat er altijd een familie is waar je op terug kunt vallen versterkt een individu op vele fronten. Ook zorgt dit ervoor dat een individu zorgeloos de wijde wereld in kan trekken, zichzelf kan ontwikkelen en groeien. Een gezond gezin kenmerkt zich doordat de gezinsleden allen een eigen leven hebben. Er is respect voor elkaars leven en er wordt rekening gehouden met elkaars meningen en opvattingen en grenzen. Je kan altijd bij elkaar terecht voor het inwinnen van neutraal advies en blijft de betreffende individu verantwoordelijk voor zijn eigen leven en is er respect voor de keuzes die deze individu zelf maakt, welke ook worden gesteund. Onderzoek heeft meerdere malen aangetoond dat sociale contacten en in het bijzonder de band met de familie de kwaliteit van het psychische welzijn bepaald. 

Binnen een kluwengezin gaat de gehechtheid verder dan alleen het gezonde ‘hecht’ zijn, er sprake van een symbiotische relatie. Een symbiotische relatie in het kader van een kluwengezin, houdt een ongezonde onderlinge afhankelijkheid tussen de gezinsleden in. In de meeste gevallen is dit geïnitieerd door de moeder waarbij de kinderen niet worden losgelaten dan wel op een gezonde manier kunnen onthechten van de moeder. Iedereen heeft ook een rol, want vaak is er sprake van opvoeder(s) die niet dan wel onvoldoende voor zichzelf kunnen zorgen, voornamelijk op emotioneel vlak. De kinderen dienen als hulpmiddel om te voorzien in de behoeften van de opvoeder(s). Vaak gaat het dan om de behoefte van de moeder en is er sprake van een moeder die zich afhankelijk opstelt waarbij de rol met het kind is omgedraaid. Het kind neemt de rol van de moeder over en de moeder neemt dus de rol van het kind over. Het ene kind dient voor de emotionele behoeftes van de opvoeder(s), de ander dient voor het huishouden en weer een ander kan dienen voor zaken buiten het huis. 

Binnen deze gezinnen is er ook regelmatig een zondebok. Het kind dat weigert om deel uit maken van de afhankelijkheid en daarmee ook weigert om te voldoen aan de behoeften van de opvoeder(s). De zondebok kenmerkt zich door eerlijk – en oprechtheid waardoor de gezinsleden zich geconfronteerd voelen. Dit terwijl de zondebok hier verder niets mee bedoelt, echter wordt dit, door de eigen manier van ‘denken’ welke negatief en wantrouwend is, als een aanval opgevat. Deze zondebok ontwricht de gezinspatronen en wordt daarom ook buitengesloten waarbij de opvoeder(s), de broer(s) en de zus(sen) opzet tegen de zondebok met als gevolg dat de band duurzaam wordt ontwricht en de zondebok zich volledig of deels onttrekt uit het gezin. Bij een gedeeltelijke onttrekking uit het gezin zal deze zondebok, direct of indirect, dienen als projectie voor de overige gezinsleden. Ook bij een volledige onttrekking kan de zondebok dienen als projectie, echter vervaagt dit op termijn daar de zondebok geen deel meer uitmaakt van het gezin. Er wordt dan gezocht naar een nieuwe zondebok, dit kan bijvoorbeeld 1 van de ouder zijn of wellicht de partner van het kind opdat de negatieve emoties geventileerd kunnen worden (projectie). Daarnaast dient de zondebok ook als ‘bezigheid’ voor de gezinsleden, opdat zij niet naar zichzelf hoeven te kijken en daarmee dus de aandacht kunnen verleggen. De ‘bezigheid’ uit zich door bijvoorbeeld te roddelen over de zondebok, op momenten dat er geventileerd moet worden, dus als de gezinsleden of een gezinslid niet ‘lekker’ in de vel zit. Het is dus niet zo dat een zondebok pas wordt ‘ingezet’ als er ook daadwerkelijk ‘iets’ aan de hand is. Een zondebok heeft dus op hoofdlijnen twee functies. 

Een kluwengezin kan ‘goed’ gaan zolang iedereen binnen het gezin zich houdt aan de eigen rol en daarmee de gezinspatronen en dus het in standhouden van de onderlinge afhankelijk. Dit kan zo ver gaan dat wanneer de kinderen het huis uit zijn, een eigen gezin hebben deze patronen alsnog in stand worden gehouden waarbij de aangetrouwde partner min of meer wordt gedwongen om hieraan mee te werken dan wel de situatie op deze manier te accepteren. In de praktijk zie je dat deze kinderen, ondanks dat zij een eigen gezin hebben, de oorspronkelijke familie als gezin zien. Deze kinderen zijn vrijwel dagelijks thuis bij de opvoeder(s) en leven dan ook vrijwel dagelijks samen. Al kunnen zij fysiek niet aanwezig zijn dan wordt er op zijn minst gebeld. Dit is wat voor hen ‘normaal’ is, daar zij niet onthecht en ook niet losgelaten zijn door de opvoeder(s). De opvoeder(s) zien de kinderen als een verlengstuk van zichzelf waarbij er geen rekening wordt gehouden met het leven dan wel de behoeftes van het kind zelf. Het leven van het kind bestaat, ondanks dat deze wellicht een gezin heeft, uit de familie. Als het kind net even te weinig aandacht geeft wordt er al snel contact (controle) gelegd door de opvoeder(s) waarbij het kind een schuldgevoel wordt aangepraat, vaak indirect; ‘ik heb je gemist en omdat ik niets van je hoorde dacht ik dat je mij vergeten was’.

Ongeacht de leeftijd van deze kinderen, wordt dit in stand gehouden totdat de opvoeder(s) komen te overlijden. Hiermee eindigt dit patroon niet, een ander, vaak de zus neemt de rol van de opvoeder(s) over en dat vooral in het kader van bij elkaar komen, bij elkaar blijven en daarmee de afhankelijkheid in stand houden, waardoor de patronen worden gecontinueerd. Dit is uiteraard ook niet vreemd, daar deze kinderen niet beter weten en daarbij buiten de eigen gezinsleden nauwelijks tot geen andere sociale contacten hebben. Ook speelt mee dat deze kinderen voornamelijk op emotioneel vlak zichzelf onvoldoende hebben (kunnen) ontwikkelen om een ‘eigen leven’ te hebben. 

Je herkent deze gezinnen doordat zij dagelijks nauw bij elkaar en in elkaars leven zijn betrokken. Doordat zij onderling alles met elkaar delen, zelfs persoonlijke kwesties die bijvoorbeeld enkel de partner van het getrouwde kind aangaat en (alleen) met de partner besproken behoort te worden, ook worden gedeeld. Er is geen grens tussen het oorspronkelijke gezin en het eigen gezin wat het kind heeft. Het wordt gezien als 1 gezin, zonder grenzen, zonder rekening te houden met de privacy of überhaupt rekening te houden met de aangetrouwde partner. Vrijwel alles wordt besproken met de familie en daarmee de gezinsleden. Samen met de gezinsleden wordt er ook bepaald hoe de persoon in kwestie met een bepaalde problematiek behoort om te gaan en welke stappen deze behoort te ondernemen. Objectiviteit is derhalve ook ver te zoeken, daar het fundament van het gezin ‘de afhankelijkheid’ niet in gevaar mag komen. 

Hoe ontstaat dit? Bij het analyseren van een kluwengezin wordt opgemaakt dat de opvoeder(s) zelf een verwaarloosde opvoeding hebben gehad. Deze opvoeding heeft geleid dat zij zich niet dan wel onvoldoende hebben kunnen ontwikkelen op emotioneel vlak. Zij hebben onvoldoende affectie en opvoeding ontvangen, onvoldoende sturing, onvoldoende normen & waarden om zichzelf te kunnen ontwikkelen tot een volwaardig volwassen individu. Ook zij hebben in de eigen opvoeding gefungeerd als verlengstuk voor de opvoeder(s) en weten daarom ook niet beter dan dat dit zo hoort. De relatie tussen de opvoeder(s) en daarmee tussen de ouders zelf is eveneens ongezond en beschadigd, waarbij beiden emotioneel tekortkomen en dit ook niet aan elkaar kunnen geven. Deze opvoeder(s) zijn in wezen zelf nog een ‘kind’ en zijn qua ontwikkeling blijven steken. Zie het als een kind die niet dan wel moeite heeft met het delen, die graag het middelpunt van de aandacht wil zijn, nieuwe ‘vriendjes & vriendinnen’ van anderen als een bedreiging ervaart, weinig grenzen kent en respecteert van anderen, het is immers een kind. Wat zou dit dan kunnen betekenen voor de kinderen van deze opvoeder(s)? 

Partners van de kinderen worden als bedreiging gezien, mits deze schikt en daarmee de gezinspatronen accepteert en daarmee niet verstoord. Deze partners fungeren eveneens als verlengstuk van de kinderen, maar ook voor de familie. De partner en daarmee het gezin van het kind mag niet in het middelpunt staan, want dat is de plek van de opvoeder(s), vaak zie je dat dit de moeder is. Beslissingen die een kind zelf neemt, zonder de familie te raadplegen worden niet geaccepteerd, want het kind mag niet ‘zelfstandig’ worden, anders kan het niet meer fungeren als verlengstuk en kunnen de ongezonde familiepatronen niet meer in stand worden gehouden. Beslissingen die het kind samen met de partner neemt is een directe aanval, waarbij de partner in een negatief daglicht wordt gezet. Waar het eigenlijk op neerkomt is dat de opvoeder(s) en zoals aangegeven in de meeste gevallen de moeder, angst ervaart. Angst dat zij (als kind) alleen zal blijven, alleen moet spelen en eigenlijk gedwongen wordt om volwassen te worden. Ook speelt mee dat zij de kinderen als ‘eigendom’ ziet. Net zoals een kind die de eigen speelgoed als eigendom ziet en deze niet graag met anderen deelt. 

De opvoeder(s) laten dus niet los, nooit niet. Derhalve oefent zij ook middels manipulaties en daarmee het ‘aanpraten’ van schuldgevoelens, controle uit opdat iedereen in de pas blijft lopen. Doordat dit al vanaf het prille begin gebeurt, ervaren deze kinderen, ook op latere leeftijd continu een schuldgevoel. Het schuldgevoel is dermate groot dat ze alleen al hierom het contact continueren. De opvoeder(s) en dus in de meeste gevallen de moeder wordt door de kinderen op een troon geplaatst en op handen gedragen, waarbij de kinderen knielend op de grond zitten.

 Een ander belangrijk punt is dat het regelmatig, binnen een kluwengezin, voorkomt dat de moeder of de vader een kind in de plek van de eigen partner plaatst. Kortom een zoon vervangt de positie van de eigen vader en een dochter de positie van de moeder. Onbewust ervaart de moeder haar zoon als partner en de vader zijn dochter als partner waarbij de betreffende kinderen dit onbewust ook zo ervaren. Beide kinderen worden verantwoordelijk gesteld voor de emotionele gemoedstoestand van de opvoeder(s) zoals dat in relaties tussen partners ook het geval is. Beide opvoeders delen hun gevoel, emoties, die eigenlijk met de partner gedeeld behoren te worden, met het kind. In de praktijk wordt gezien dat dit vaak door de moeder wordt gedaan en daarmee dat alleen de moeder een zoon als partner toe-eigent. De overige kinderen van de moeder worden eveneens toegeëigend en krijgen allemaal een rol. De dynamiek die je ziet is dat moeder en zoon een ‘partnerrelatie’ hebben en de overige kinderen voor hen dienen (ook voor de zoon). Realistisch gezien heeft de zoon natuurlijk ook een rol en dat is het fungeren als partner voor de eigen moeder, uiteraard onbewust. De werkelijke partner van de moeder wordt aan de kant gezet wat eveneens kan leiden tot jaloezie van de vader gericht op de zoon. Helaas zie je dan ook in de praktijk dat de relatie tussen vader en zoon fragiel is. 

Indien de zoon op latere leeftijd een partner leert kennen is de kans aanzienlijk groot dat er geen relationele emotionele band tot stand komt, deze heeft de zoon al met zijn moeder, uiteraard onbewust. De nieuwe partner wordt door de moeder dan ook niet gezien als ‘partner’, maar iemand die voor haar zoon kan zorgen, praktische zorg. In de praktijk zie je dat de relaties van deze kinderen destructief zijn en vaak leiden tot verbreking van de relaties. 

De gevolgen van een dergelijke gezinsstructuur is dat deze kinderen, ongeacht de leeftijd nooit leren om op de eigen benen te staan en daarmee zelfstandig te worden en een eigen leven te leiden. De identiteit van deze kinderen is matig en bestaat voornamelijk uit de eigenschappen van de moeder; dominant, afwachtend, afhoudend, afhankelijk, passief-agressief, slachtofferrol, manipulatief, onzeker, angstig, negatieve levenshouding, wantrouwen, onvoldoende zelfreflectie en verantwoordelijkheidsgevoel. Naar de buitenwereld wordt er een geheel andere ‘identiteit’ getoond dan de werkelijkheid. Deze volwassen kampen derhalve ook met verschillende vormen van problematiek; sluimerende depressie, apathisch, gevoel van leegte, eenzaamheid, niet bij het gevoel kunnen dan wel herkennen, suïcide neigingen, snel aangevallen voelen door derden, negatieve denkpatronen (wantrouwen), woede-uitbarstingen, relaties die keer op keer stranden, weinig tot geen vrienden, ‘leek’ op het gebied van socialisatie, weinig tot geen ambitie en dit rijtje kan nog verder aangevuld worden. 

Wat het vooral moeilijk maakt voor deze volwassenen is dat zij dit zelf niet zien of anders wel zien, echter uit angst het patroon niet doorbreken. De angst ligt vooral in het ‘alleen’ zijn en voor zichzelf moeten zorgen, voornamelijk op emotioneel vlak (net zoals de opvoeders(s)). Uitstappen uit een dergelijke familie-dynamiek vergt in eerste instantie inzicht, acceptatie en moed. Dit betekent niet dat er gebroken moet worden met de familie, neen. Dit betekent alleen dat de volwassene zelf een eigen identiteit ontwikkeld, grenzen stelt, zijn eigen leven inricht zoals deze dat zelf wil, zonder te fungeren als verlengstuk voor de ouder. Het loskomen van eigenlijk de narcistische opvoeding en het bewandelen van een eigen pad. Het maakt het ook moeilijk doordat deze volwassenen sinds de kindertijd onbewust zijn ‘gehersenspoeld’ en daarmee dat er continu onwaarheden zijn verteld dan wel schuldgevoel is aangepraat, pure (onbewuste) manipulatie om het kind blijvend aan zichzelf te binden. Het schuldgevoel blijft het moeilijkste gedeelte en daarmee het ontdoen van dit gevoel. Onmogelijk is het zeker niet. De kans dat de volwassene die dit patroon niet doorbreekt tot de rest van zijn leven een ontevreden en ongelukkig leven zal leiden, met zichzelf, ook als de moeder komt te overlijden, is aanzienlijk groot. 

Aanmelden Zoom Psychologie

Aanmelden Artikels

About Author